UZA en UA Wilrijk bieden als enigen alternatief voor behandeling slaapapneu

WILRIJK – Snurken is een klacht die in ongeveer de helft van de gevallen een onderliggend obstructief slaap apneu (OSA) aan het licht brengt. OSA komt vaak voor en bij een grote meerderheid van deze patiënten is de ziekte nog niet vastgesteld. Professor dr. Olivier Vanderveken (zie foto), diensthoofd van de dienst NKO, hoofd- en halsheelkunde van het UZA, en als hoogleraar verbonden aan de Universiteit Antwerpen, leidt het baanbrekend onderzoek naar OSA. ‘Er is een tekort aan ‘awareness’ rond OSA, ook in de medische wereld. Wanneer OSA nog niet is vastgesteld of niet adequaat wordt behandeld,  gaat dit gepaard met belangrijke gezondheidsrisico’s die kunnen leiden tot een sterk verhoogde mortaliteit. Ook wordt de levenskwaliteit aangetast als OSA niet tijdig wordt vastgesteld of onvoldoende wordt behandeld.’

Er zijn twee niet-heelkundige behandelingen voor OSA: het gebruik van een CPAP toestel (continuous positive airway pressure) of het dragen van een mondbeugel type MRA (mandibulair repositie apparaat). ‘Een groot deel van de patiënten ondervindt problemen met deze behandelingen. Zo wordt het CPAP toestel vaak onvoldoende gebruikt. Het is daarom nodig alternatieve behandelingen te vinden. De uitdaging hierbij is dat iedere patiënt uniek is en je vooraf moet voorspellen wat de doeltreffendheid zal zijn van een niet-CPAP behandeling bij de individuele patiënt.’

De dienst NKO ontwikkelde daarom een innovatieve therapie op basis van luchtweg stimulatie. Hierbij wordt een pacemaker gebruikt die de tongzenuw stimuleert tijdens de slaap. Voor een groep patiënten leidt deze behandeling tot het genezen van OSA. Of een patiënt al dan niet in aanmerking komt voor de pacemaker wordt via een soort DNA analyse bepaald. De dienst NKO van het UZA is de enige die deze therapie kan aanbieden.

Gehoorverlies treft 360 miljoen mensen wereldwijd. Een aantal van deze personen wordt geboren met DFNA9, een erfelijke vorm van gehoorverlies met evenwichtsstoornissen. Deze vorm van gehoorverlies begint op latere leeftijd en leidt tot doofheid. Prof Vincent Van Rompaey, docent aan de Universiteit Antwerpen Campus Drie Eiken in Wilrijk en senior staflid NKO en hoofd-hals-heelkunde aan het UZA, leidt het onderzoek naar DFNA9 aan de UA en het UZA. ‘Het betreft een groep mensen die afstammen van één gemeenschappelijke voorouder, vermoedelijk uit de vijftiende of zestiende eeuw. De kans dat een ouder met DFNA9 de ziekte aan zijn/haar kind doorgeeft is heel groot, namelijk één kans op de twee.’

De eerste symptomen van DFNA9 treden op tussen 30 en 40 jaar. Op de leeftijd van 50-70 jaar wordt de patiënt geheel doof en is er een volledig verlies van evenwichtsfunctie. Omdat de ziekte niet zo vaak voorkomt, laat een tijdige diagnose vaak lang op zich wachten. Een tijdige diagnose is echter van belang om de ziekteverschijnselen adequaat te behandelen. ‘Momenteel bestaat de behandeling uit een hoorapparaat en cochleair implantaat. Hiermee wordt de functie deels hersteld, maar wordt de ziekte niet genezen. Door het ontwikkelen van gentherapie voor het binnenoor hopen we het gehoorverlies door DFNA9 in de toekomst te kunnen voorkomen of herstellen. Om het effect van toekomstige gentherapie te kunnen bestuderen, zijn we volop lange termijnstudies aan het uitvoeren om zo de natuurlijke evolutie van DFNA9 in kaart te brengen.’ Wie beide onderzoeken wil steunen kan dat via https://www.uza.be/schenking?ptid=935%20.  (EM/ Foto UZA)